De geschiedenis van de huidige stadsregio’s kent een belangrijk ijkpunt in 1994. Duidelijk was dat een meer verplichtende vorm van samenwerking tussen gemeenten in enkele regio’s noodzakelijk was. En dus treedt in 1994 de kaderwet ‘bestuur in verandering’ in werking. Deze tijdelijke wet is van toepassing op de samenwerkingsgebieden rond de steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven, Helmond, Arnhem/Nijmegen en Enschede/Hengelo: de huidige zeven stadsregio ’s.
Gemeenten gaan ‘verplichtend’ in regionaal verband een aantal taken op het terrein van ruimtelijke ordening, volkshuisvesting, verkeer en vervoer, economische zaken en milieu uitvoeren. Lokale en regionale belangen worden hierbij tegen elkaar afgewogen.
De samenwerking in deze ‘Kaderwetgebieden’ levert nuttige resultaten op. En dus is een proces in gang gezet om vooral deze zeven regio’s een nieuwe sterkere wettelijke basis te geven. Met de vaststelling van de Wgr-plus in november 2005 in de Eerste Kamer zijn de zeven stadsregio’s letterlijk en figuurlijk een feit geworden. De aanpak van regionale opgaven die de gemeenten in de stedelijke gebieden de komende jaren moeten uitvoeren, zoals de planning van nieuwe woongebieden, de verbetering van de bereikbaarheid, de aanleg van bedrijventerreinen, groengebieden, fietspaden, tram- of buslijnen, kunnen nu met nog meer kracht worden voortgezet.
Op verzoek van de stadsregio's heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in 2008 de Commissie toekomst stadsregionale samenwerking onder voorzitterschap van drs. E.H.T.M. Nijpels ingesteld. Met de instelling van deze commissie wordt geanticipeerd op de bepaling in de Wgr-plus dat er in 2010 een evaluatie van de stadsregio's plaats moet vinden. Het rapport van de 'Commissie Nijpels' is in juni 2009 tijdens het VNG congres gepresenteerd.